begrijpen
werkwoord /bə.χrɛɪ.pə(n)/Betekenis
- met het verstand vatten, snappen
- omvatten, tot iets tellen, rekenen
- bevatten, inhouden
- voelen wat iemand denkt of wil
Hoe spreek je begrijpen uit?
/bəxrɛipən/
Begrijpen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ə | de |
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| p | pak |
| n | nek |
Vervoeging van begrijpen
begrijpenhele werkwoord — begreepverleden tijd enkelvoud — begrepenverleden tijd meervoud — begrepenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | begrijp | begreep |
| jij | begrijpt | begreep |
| hij, zij, het | begrijpt | begreep |
| wij | begrijpen | begrepen |
| jullie | begrijpen | begrepen |
| zij | begrijpen | begrepen |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| begreep | verleden tijd |
| begrepen | verleden tijd, deelwoord |
| begrepen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begrepen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| begrepen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begrepen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begrepen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| begrepen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begrepen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| begrepen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begrepen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begrepen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| begrijp | gebiedende wijs |
| begrijpe | aanvoegende wijs |
| begrijpend | onvoltooid, deelwoord |
| ben begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is begrepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was begrepen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd begrepen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt begrepen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal begrepen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal begrepen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou begrepen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou begrepen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had begrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had begrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden begrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden begrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te begrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben begrepen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen begrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren begrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was begrepen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was begrepen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was begrepen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt begrepen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt begrepen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt begrepen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt begrepen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begrepen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen begrijpen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult begrepen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begrepen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begrepen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult begrijpen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘vatten, omvatten’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van begrijpen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| begreep | verleden tijd | begrijpen |
| begrepen | voltooid deelwoord | begrijpen |
| begrijp | gebiedende wijs | begrijpen |
| begrijpe | aanvoegende wijs | begrijpen |
| begrijpt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | begrijpen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van begrijpen zijn vastgelegd.