bangbroek
zelfstandig naamwoord ˈbɑŋbrukBetekenis
- persoon die zich te veel door angst laat leiden
- bangebroek, bangerik
Hoe spreek je bangbroek uit?
/ˈbɑŋbruk/
Bangbroek bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| r | rood |
| u | boek |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bangbroeken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van bang zn "angstig" en broek zn "onervaren persoon" , als spotnaam ("Mevrouw Bangbroek") aangetroffen in 1731
Woordfamilie van bangbroek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bangbroeken | meervoud | bangbroek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bangbroek zijn vastgelegd.