bagagedrager
zelfstandig naamwoord ba'ɣaʒədraɣərBetekenis
- een rek op de fiets (of andere tweewieler) waarop bagage bevestigd kan worden
Hoe spreek je bagagedrager uit?
/baˈxaʒədraxər/
Bagagedrager bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| x | acht |
| ʒ | journaal |
| ə | de |
| d | dak |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bagagedragers | meervoud |
| bagagedragertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bagagedragertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van bagage en drager
Woordfamilie van bagagedrager
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bagagedragers | meervoud | bagagedrager |
| bagagedragertje | verkleinwoord | bagagedrager |
| bagagedragertjes | verkleinwoord meervoud | bagagedrager |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bagagedrager zijn vastgelegd.