badineren
werkwoordBetekenis
- een spottende opmerking maken
Vervoeging van badineren
badinerenhele werkwoord — badineerdeverleden tijd enkelvoud — badineerdenverleden tijd meervoud — gebadineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | badineer | badineerde |
| jij | badineert | badineerde |
| hij, zij, het | badineert | badineerde |
| wij | badineren | badineerden |
| jullie | badineren | badineerden |
| zij | badineren | badineerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| badineer | gebiedende wijs |
| badineerde | verleden tijd |
| badinere | aanvoegende wijs |
| badinerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gebadineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gebadineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gebadineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gebadineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gebadineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gebadineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gebadineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gebadineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gebadineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gebadineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gebadineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gebadineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gebadineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gebadineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gebadineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gebadineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gebadineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gebadineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gebadineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te badineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gebadineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen badineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt badineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gebadineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen badineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult badineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gebadineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schertsen’ voor het eerst aangetroffen in 1720
Woordfamilie van badineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| badineer | gebiedende wijs | badineren |
| badineerde | verleden tijd | badineren |
| badineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | badineren |
| badineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | badineren |
| badinere | aanvoegende wijs | badineren |
| gebadineerd | voltooid deelwoord | badineren |
| gebadineerde | woordvorm | badineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van badineren zijn vastgelegd.