babyboomer
zelfstandig naamwoord 'bebibuːmərBetekenis
- iemand die tijdens een geboortegolf geboren is, maar in het bijzonder die plaatsvond na de Tweede Wereldoorlog
Hoe spreek je babyboomer uit?
/ˈbebibumər/
Babyboomer bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| i | riet |
| u | boek |
| m | maan |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| babyboomers | meervoud |
| babyboomertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| babyboomertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘iem. geboren tussen’ voor het eerst aangetroffen in 1945
Woordfamilie van babyboomer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| babyboomers | meervoud | babyboomer |
| babyboomertje | verkleinwoord | babyboomer |
| babyboomertjes | verkleinwoord meervoud | babyboomer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van babyboomer zijn vastgelegd.