babyboom
zelfstandig naamwoord /ˈbe.bi.buːm/Betekenis
- een periode waarin ongewoon veel kinderen geboren worden
- (specifiek) de opleving van het geboortecijfer gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa en de Verenigde Staten
Hoe spreek je babyboom uit?
/ˈbebibum/
Babyboom bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| e | veel |
| i | riet |
| u | boek |
| m | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- de opleving van het geboortecijfer gedurende de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog in West-Europa en de Verenigde Staten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| babyboompje | verkleinwoord, enkelvoud |
| babyboompjes | verkleinwoord, meervoud |
| babybooms | meervoud |
Herkomst
van Engels baby boom
Woordfamilie van babyboom
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| babyboompje | verkleinwoord | babyboom |
| babyboompjes | verkleinwoord meervoud | babyboom |
| babybooms | meervoud | babyboom |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van babyboom zijn vastgelegd.