autonomie
zelfstandig naamwoord ɑutonoˈmiBetekenis
- gedeeltelijk zelfbestuur (met de mogelijkheid om zelf wetgeving te maken)
- onafhankelijkheid (van de menselijke geest)
- zelfvoorzienendheid (onafhankelijk van externe 'input' en/of energie)
- (gedeeltelijk) zelfbestuur
Hoe spreek je autonomie uit?
/ɑutonoˈmi/
Autonomie bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑu | koud |
| t | tak |
| o | boot |
| n | nek |
| m | maan |
| i | riet |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| autonomietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| autonomietjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn (autonomia), in de betekenis van ‘zelfregering’ voor het eerst aangetroffen in 1806
Woordfamilie van autonomie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| autonomietje | verkleinwoord | autonomie |
| autonomietjes | verkleinwoord meervoud | autonomie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van autonomie zijn vastgelegd.