automaat
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een toestel dat, eenmaal in werking gezet, zonder verdere tussenkomst een aantal handelingen verricht
- auto met automatische versnellingsbak
- apparaat dat iets verstrekt na betaling
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| automaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| automaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| automaten | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans of Latijn, in de betekenis van ‘machine die zelfstandig handelingen verricht’ voor het eerst aangetroffen in 1552
Woordfamilie van automaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| automaatje | verkleinwoord | automaat |
| automaatjes | verkleinwoord meervoud | automaat |
| automaten | meervoud | automaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van automaat zijn vastgelegd.