aura
zelfstandig naamwoord /ˈʌrɑ/Betekenis
- energieveld dat mensen en ook andere levende wezens zou omgeven
- beginverschijnselen van een astmatische of epileptische aanval
- uitstraling, halo
- (energieveld)
- ploeg (landbouwwerktuig)
- bries
Hoe spreek je aura uit?
/ˈʌrɑ/
Aura bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aura's | meervoud |
| auraatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| auraatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘uitstraling van een persoon’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1832
Woordfamilie van aura
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aura's | meervoud | aura |
| auraatje | verkleinwoord | aura |
| auraatjes | verkleinwoord meervoud | aura |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aura zijn vastgelegd.