aula
zelfstandig naamwoord ˈɑulaBetekenis
- een grote ruimte of zaal in een gebouw
- (historisch) binnenplaats, hof
- een grote gehoorzaal van een universiteit
- een grote zaal voor bijeenkomsten, voorstellingen enz. in een middelbare school, een museum of eenigerlei andere instelling
- aula
- een grote ruimte of zaal in een gebouw, voornamelijk in scholen
Hoe spreek je aula uit?
/ˈɑula/
Aula bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑu | koud |
| l | land |
| a | maan |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- binnenplaats, hof historical, obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aula's | meervoud |
| aulaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aulaatjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘grote gehoorzaal’ voor het eerst aangetroffen in 1864
Woordfamilie van aula
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aula's | meervoud | aula |
| aulaatje | verkleinwoord | aula |
| aulaatjes | verkleinwoord meervoud | aula |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aula zijn vastgelegd.