auditorium
zelfstandig naamwoordBetekenis
- gehoor, de gezamenlijke toehoorders
- gehoorzaal
- zala
- pùblika
- hlediště
- sál
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| auditoria | meervoud |
| auditoriumpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| auditoriumpjes | verkleinwoord, meervoud |
| auditoriums | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘gehoorzaal’ voor het eerst aangetroffen in 1634
Woordfamilie van auditorium
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| auditoria | meervoud | auditorium |
| auditoriumpje | verkleinwoord | auditorium |
| auditoriumpjes | verkleinwoord meervoud | auditorium |
| auditoriums | meervoud | auditorium |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van auditorium zijn vastgelegd.