asperge
zelfstandig naamwoord ɑsˈpɛrʒəBetekenis
- een plant waarvan de jonge scheuten geteeld worden als groente
- de jonge scheuten van deze plant
Hoe spreek je asperge uit?
/ɑsˈpɛrʒə/
Asperge bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| ʒ | journaal |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- Asparagus officinalis subsp. officinalis een plant die in het wild vooral voorkomt in kuststreken en langs rivieren. De plant wordt vanwege de jonge scheuten geteeld als groente. Er zijn witte, groene en paarse asperges op de markt. De witte zijn onder de grond gegroeid en uit het licht gehouden, de groene en paarse asperges hebben wel zon gezien. In Noordwest-Europa zijn witte het meest gebruikelijk, in landen als Italië groene
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| asperges | meervoud |
| aspergetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aspergetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘plant’ voor het eerst aangetroffen in 1583
Woordfamilie van asperge
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| asperges | meervoud | asperge |
| aspergetje | verkleinwoord | asperge |
| aspergetjes | verkleinwoord meervoud | asperge |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van asperge zijn vastgelegd.