arbeidsrecht
zelfstandig naamwoord 'ɑrbɛɪtsrɛxtBetekenis
- privaatrechtelijk vakgebied dat de contractuele aspecten van arbeidsverhoudingen en de rechtsposities van werknemers en werkgevers regelt
Hoe spreek je arbeidsrecht uit?
/ˈɑrbɛitsrɛxt/
Arbeidsrecht bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| b | bak |
| ɛi | trein |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arbeidsrechten | meervoud |
Herkomst
samenstelling van arbeid zn en recht zn met het invoegsel -s-
Woordfamilie van arbeidsrecht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arbeidsrechten | meervoud | arbeidsrecht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arbeidsrecht zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
Verwante woorden
- anciënniteit
- arbeidshof
- arbeidsinspectie
- arbeidsomstandigheden
- arbeidsongeval
- arbeidsovereenkomst
- arbeidstijdenwet
- arbozorg
- beroepsziekte
- beunhaas
- broodroof
- concurrentiebeding
- dagloner
- detachering
- flexwerker
- freelance
- fulltime
- kraamverlof
- non-actief
- ondernemingsraad
- ontslag
- ontslagvergoeding
- outplacement
- plichtsverzuim