aquaduct
zelfstandig naamwoord ˌakwaˈdʏktBetekenis
- brug waarmee een kanaal over een uitholling in het terrein wordt geleid
- waterleiding bestaande uit een gemetseld kanaal, of lopend over gemetselde bogen, ofwel ondergronds
Hoe spreek je aquaduct uit?
/ˌakwaˈdʏkt/
Aquaduct bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| k | kat |
| w | quiz |
| d | dak |
| ʏ | put |
| t | tak |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aquaducten | meervoud |
| aquaductje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aquaductjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘waterleiding op een gemetselde boog’ voor het eerst aangetroffen in 1599
Woordfamilie van aquaduct
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aquaducten | meervoud | aquaduct |
| aquaductje | verkleinwoord | aquaduct |
| aquaductjes | verkleinwoord meervoud | aquaduct |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aquaduct zijn vastgelegd.