ambacht
zelfstandig naamwoord ˈɑmbɑxtBetekenis
- een handwerkvak dat vaak aanzienlijke vaardigheden vereist
- het grondgebied of de landstreek, waarover de jurisdictie van een z.g. ambachtsheer zich uitstrekt (vnl in Holland, Zeeland of Vlaanderen) (b.v. Hendrik-Ido-Ambacht)
Hoe spreek je ambacht uit?
/ˈɑmbɑxt/
Ambacht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| m | maan |
| b | bak |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ambachten | meervoud |
| ambachtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ambachtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Keltisch, in de betekenis van ‘handwerk’ voor het eerst aangetroffen in 772
Woordfamilie van ambacht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ambachten | meervoud | ambacht |
| ambachtje | verkleinwoord | ambacht |
| ambachtjes | verkleinwoord meervoud | ambacht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ambacht zijn vastgelegd.