amandel
zelfstandig naamwoord aˈmɑndəlBetekenis
- een vrucht van de amandelboom
- een van de vier klieren in de neus-keelholte, die deel uitmaken van het afweersysteem
- boom die amandelen voortbrengt
- de pit van de amandelvrucht die eetbaar is
Hoe spreek je amandel uit?
/aˈmɑndəl/
Amandel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kleine bladverliezende loofboom Amygdalus dulcis, die vooral in bergachtige gebieden groeit en de vruchten van deze boom
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| amandels | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vrucht van de amandelboom Amygdalus dulcis
- eetbare pit van de amandelvrucht
- elk van de vier klieren in de neus-keelholte, die deel uitmaken van het afweersysteem
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| amandelen, amandels | enkelvoud |
| amandeltje | verkleinwoord |
| amandeltjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Herkomst
via Middelnederlands amandel via Oudfrans amandele of middeleeuws Latijn amandula, in de betekenis van ‘steenvrucht met eetbare pit’ voor het eerst aangetroffen in 1251 **v/m [3]: vanwege de vergelijkbare vorm, in de betekenis "tonsil" aangetroffen vanaf 1567
Woordfamilie van amandel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| amandelen | meervoud | amandel |
| amandels | enkelvoud | amandel |
| amandeltje | verkleinwoord | amandel |
| amandeltjes | verkleinwoord | amandel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van amandel zijn vastgelegd.