afwachten
werkwoord ˈɑfwɑxtə(n)Betekenis
- wachten op wat er gaat gebeuren
Hoe spreek je afwachten uit?
/ˈɑfwɑxtən/
Afwachten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| w | quiz |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als afwachtten.
Vervoeging van afwachten
afwachtenhele werkwoord — wachtte afverleden tijd enkelvoud — wachtten afverleden tijd meervoud — afgewachtvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wacht af | wachtte af |
| jij | wacht af | wachtte af |
| hij, zij, het | wacht af | wachtte af |
| wij | wachten af | wachtten af |
| jullie | wachten af | wachtten af |
| zij | wachten af | wachtten af |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te wachten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen wachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal wachten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou wachten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden wachten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt wachten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen wachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen wachten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult wachten | bijzin, toekomende tijd |
| afgewacht | verleden tijd, deelwoord |
| afgewacht te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgewacht zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afwacht | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afwachtend | onvoltooid, deelwoord |
| afwachtte | bijzin, verleden tijd |
| afwachtten | bijzin, verleden tijd |
| er is afgewacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgewacht | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgewacht | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgewacht | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgewacht worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgewacht zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgewacht worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgewacht zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgewacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgewacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgewacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgewacht | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgewacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgewacht | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgewacht | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgewacht | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgewacht | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afwachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wacht af | gebiedende wijs |
| wachtte af | verleden tijd |
| zal afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afwachten | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afwachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afwachten af zou(dt) wachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afwachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgewacht hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afwachten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afwachten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afwachten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgewacht hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afwachten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afwachten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afwachten af zult/zal wachten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en wachten ww
Woordfamilie van afwachten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgewacht | voltooid deelwoord | afwachten |
| afgewachte | woordvorm | afwachten |
| afwacht | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afwachten |
| afwachte | with-subordinate-clause | afwachten |
| afwachtte | subordinate-clause, verleden tijd | afwachten |
| afwachtten | subordinate-clause, verleden tijd | afwachten |
| wacht af | gebiedende wijs | afwachten |
| wachte af | woordvorm | afwachten |
| wachten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afwachten |
| wachtte af | verleden tijd | afwachten |
| wachtten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afwachten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afwachten zijn vastgelegd.