afstandsbediening
zelfstandig naamwoord ˈɑfstɑn(t)sbəˌdinɪŋBetekenis
- een toestel dat vanaf afstand een ander toestel bestuurt
afstandsbediening in een zin
- De afstandsbediening lag onder een kussen op de bank.
- In de afstandsbediening zaten twee lege batterijen.
- Geef me even de afstandsbediening, dan zet ik hem zachter.
Let op: Het verkleinwoord is afstandsbedieninkje, met -nkje.
Hoe spreek je afstandsbediening uit?
/ˈɑfstɑntsbəˌdinɪŋ/
Afstandsbediening bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| s | sok |
| t | tak |
| n | nek |
| b | bak |
| ə | de |
| d | dak |
| i | riet |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afstandsbedieningen | meervoud |
| afstandsbedieninkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afstandsbedieninkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van afstand en bediening met het invoegsel -s-
Woordfamilie van afstandsbediening
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afstandsbedieningen | meervoud | afstandsbediening |
| afstandsbedieninkje | verkleinwoord | afstandsbediening |
| afstandsbedieninkjes | verkleinwoord meervoud | afstandsbediening |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afstandsbediening zijn vastgelegd.