Naar de inhoud

afremmen

de snelheid van iets doen verminderen

afremmen

werkwoord

Betekenis

  1. de snelheid van iets doen verminderen
  2. minder vaart maken
  3. verminderen
  4. zich afremmen: de snelheid van zichzelf doen verminderen

werkwoord

  1. verminderen; vertragen figuratively, transitive

Vervoeging van afremmen

afremmenhele werkwoord — remde afverleden tijd enkelvoud — remden afverleden tijd meervoud — afgeremdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rem af remde af
jij remt af remde af
hij, zij, het remt af remde af
wij remmen af remden af
jullie remmen af remden af
zij remmen af remden af
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te remmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen remmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal remmen bijzin, toekomende tijd
af zou remmen bijzin, voorwaardelijk
af zouden remmen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt remmen bijzin, voorwaardelijk
af zullen remmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen remmen bijzin, toekomende tijd
af zult remmen bijzin, toekomende tijd
afgeremd verleden tijd, deelwoord
afgeremd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgeremd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afrem bijzin, tegenwoordige tijd
afremde bijzin, verleden tijd
afremden bijzin, verleden tijd
afremmend onvoltooid, deelwoord
afremt bijzin, tegenwoordige tijd
er is afgeremd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgeremd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgeremd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgeremd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgeremd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgeremd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgeremd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgeremd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgeremd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgeremd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgeremd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgeremd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgeremd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgeremd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgeremd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeremd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgeremd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
rem af gebiedende wijs
remde af verleden tijd
te hebben afgeremd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afremmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afremmen bijzin, toekomende tijd
zou afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afremmen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afremmen af zou(dt) remmen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afremmen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgeremd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afremmen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afremmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afremmen bijzin, toekomende tijd
zult afgeremd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afremmen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afremmen bijzin, toekomende tijd
zult/zal afremmen af zult/zal remmen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en remmen ww

Woordfamilie van afremmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgeremd voltooid deelwoord afremmen
afgeremde woordvorm afremmen
afrem subordinate-clause, tegenwoordige tijd afremmen
afremde subordinate-clause, verleden tijd afremmen
afremden subordinate-clause, verleden tijd afremmen
afremme with-subordinate-clause afremmen
afremmende woordvorm afremmen
afremt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afremmen
rem af gebiedende wijs afremmen
remde af verleden tijd afremmen
remden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afremmen
remme af woordvorm afremmen
remmen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afremmen
remt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afremmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afremmen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afremmen

Wat betekent afremmen?
Afremmen is een werkwoord. Het woord betekent: de snelheid van iets doen verminderen. Deze pagina beschrijft 5 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afremmen?
Je vervoegt afremmen als volgt: het voltooid deelwoord is afgeremd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afremmen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. M 3
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afremmen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. R 2
  4. E 1
  5. M 3
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afremmen in het kort

afremmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 5 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afremmen zijn 53 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afremmen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afremmen: de snelheid van iets doen verminderen
Deel afremmen — standaardnederlands.nl