afremmen
werkwoordBetekenis
- de snelheid van iets doen verminderen
- minder vaart maken
- verminderen
- zich afremmen: de snelheid van zichzelf doen verminderen
werkwoord
- verminderen; vertragen figuratively, transitive
Vervoeging van afremmen
afremmenhele werkwoord — remde afverleden tijd enkelvoud — remden afverleden tijd meervoud — afgeremdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rem af | remde af |
| jij | remt af | remde af |
| hij, zij, het | remt af | remde af |
| wij | remmen af | remden af |
| jullie | remmen af | remden af |
| zij | remmen af | remden af |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te remmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen remmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal remmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou remmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden remmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt remmen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen remmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen remmen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult remmen | bijzin, toekomende tijd |
| afgeremd | verleden tijd, deelwoord |
| afgeremd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgeremd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afrem | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afremde | bijzin, verleden tijd |
| afremden | bijzin, verleden tijd |
| afremmend | onvoltooid, deelwoord |
| afremt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is afgeremd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgeremd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgeremd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgeremd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgeremd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgeremd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgeremd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgeremd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgeremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgeremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgeremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgeremd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgeremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgeremd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgeremd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeremd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgeremd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rem af | gebiedende wijs |
| remde af | verleden tijd |
| te hebben afgeremd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afremmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afremmen | bijzin, toekomende tijd |
| zou afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afremmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afremmen af zou(dt) remmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afremmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgeremd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afremmen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afremmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afremmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgeremd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afremmen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afremmen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afremmen af zult/zal remmen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en remmen ww
Woordfamilie van afremmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgeremd | voltooid deelwoord | afremmen |
| afgeremde | woordvorm | afremmen |
| afrem | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afremmen |
| afremde | subordinate-clause, verleden tijd | afremmen |
| afremden | subordinate-clause, verleden tijd | afremmen |
| afremme | with-subordinate-clause | afremmen |
| afremmende | woordvorm | afremmen |
| afremt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afremmen |
| rem af | gebiedende wijs | afremmen |
| remde af | verleden tijd | afremmen |
| remden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afremmen |
| remme af | woordvorm | afremmen |
| remmen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afremmen |
| remt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afremmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afremmen zijn vastgelegd.