afmatten
werkwoordBetekenis
- uitputtend vermoeien
Vervoeging van afmatten
afmattenhele werkwoord — matte afverleden tijd enkelvoud — matten afverleden tijd meervoud — afgematvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mat af | matte af |
| jij | mat af | matte af |
| hij, zij, het | mat af | matte af |
| wij | matten af | matten af |
| jullie | matten af | matten af |
| zij | matten af | matten af |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te matten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal matten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen matten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult matten | bijzin, toekomende tijd |
| afgemat | verleden tijd, deelwoord |
| afgemat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afmat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmatte | bijzin, verleden tijd |
| afmattend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgemat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgemat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgemat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgemat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgemat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgemat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mat af | gebiedende wijs |
| matte af | verleden tijd |
| te hebben afgemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afmatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afmatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afmatten af zou(dt) matten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afmatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afmatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van afmatten
Vervoeging van afmatten
afmattenhele werkwoord — matte afverleden tijd enkelvoud — matten afverleden tijd meervoud — afgematvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | mat af | matte af |
| jij | mat af | matte af |
| hij, zij, het | mat af | matte af |
| wij | matten af | matten af |
| jullie | matten af | matten af |
| zij | matten af | matten af |
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te matten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal matten | bijzin, toekomende tijd |
| af zou matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt matten | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen matten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen matten | bijzin, toekomende tijd |
| af zult matten | bijzin, toekomende tijd |
| afgemat | verleden tijd, deelwoord |
| afgemat te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemat te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgemat worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemat zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgemat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemat zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgemat zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afmat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afmatte | bijzin, verleden tijd |
| afmattend | onvoltooid, deelwoord |
| ben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgemat | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgemat | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgemat | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgemat worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgemat zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgemat worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgemat zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| mat af | gebiedende wijs |
| matte af | verleden tijd |
| te hebben afgemat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afmatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgemat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgemat | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afmatten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgemat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afmatten af zou(dt) matten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgemat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgemat zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afmatten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afmatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afmatten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afmatten | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgemat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgemat worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afgemat zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘uitputten’ voor het eerst aangetroffen in 1654
Woordfamilie van afmatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgemat | voltooid deelwoord | afmatten |
| afmatte | subordinate-clause, verleden tijd | afmatten |
| matte af | verleden tijd | afmatten |
| matten af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afmatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmatten zijn vastgelegd.