Naar de inhoud

afmatten

uitputtend vermoeien

afmatten

werkwoord

Betekenis

  1. uitputtend vermoeien

Vervoeging van afmatten

afmattenhele werkwoord — matte afverleden tijd enkelvoud — matten afverleden tijd meervoud — afgematvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik mat af matte af
jij mat af matte af
hij, zij, het mat af matte af
wij matten af matten af
jullie matten af matten af
zij matten af matten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te matten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen matten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal matten bijzin, toekomende tijd
af zou matten bijzin, voorwaardelijk
af zouden matten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt matten bijzin, voorwaardelijk
af zullen matten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen matten bijzin, toekomende tijd
af zult matten bijzin, toekomende tijd
afgemat verleden tijd, deelwoord
afgemat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afmat bijzin, tegenwoordige tijd
afmatte bijzin, verleden tijd
afmattend onvoltooid, deelwoord
ben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgemat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgemat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgemat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgemat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgemat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgemat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgemat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgemat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mat af gebiedende wijs
matte af verleden tijd
te hebben afgemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afmatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afmatten bijzin, toekomende tijd
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afmatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afmatten af zou(dt) matten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afmatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afmatten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afmatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afmatten bijzin, toekomende tijd
zult afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van afmatten

Vervoeging van afmatten

afmattenhele werkwoord — matte afverleden tijd enkelvoud — matten afverleden tijd meervoud — afgematvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik mat af matte af
jij mat af matte af
hij, zij, het mat af matte af
wij matten af matten af
jullie matten af matten af
zij matten af matten af
Alle 143 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te matten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen matten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal matten bijzin, toekomende tijd
af zou matten bijzin, voorwaardelijk
af zouden matten bijzin, voorwaardelijk
af zoudt matten bijzin, voorwaardelijk
af zullen matten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen matten bijzin, toekomende tijd
af zult matten bijzin, toekomende tijd
afgemat verleden tijd, deelwoord
afgemat te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemat te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgemat te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgemat worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemat zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgemat zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemat zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgemat zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afmat bijzin, tegenwoordige tijd
afmatte bijzin, verleden tijd
afmattend onvoltooid, deelwoord
ben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgemat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgemat impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgemat impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgemat impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgemat worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgemat zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgemat worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgemat zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
mat af gebiedende wijs
matte af verleden tijd
te hebben afgemat actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afmatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgemat voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgemat enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgemat enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afmatten bijzin, toekomende tijd
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgemat voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afmatten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afmatten af zou(dt) matten bijzin, voorwaardelijk
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afmatten bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgemat hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgemat zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afmatten bijzin, voorwaardelijk
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afmatten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afmatten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afmatten bijzin, toekomende tijd
zult afgemat hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgemat worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afgemat zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘uitputten’ voor het eerst aangetroffen in 1654

Woordfamilie van afmatten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgemat voltooid deelwoord afmatten
afmatte subordinate-clause, verleden tijd afmatten
matte af verleden tijd afmatten
matten af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afmatten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afmatten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afmatten

Wat betekent afmatten?
Afmatten is een werkwoord. Het woord betekent: uitputtend vermoeien.
Hoe vervoeg je afmatten?
Je vervoegt afmatten als volgt: het voltooid deelwoord is afgemat. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afmatten is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afmatten levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. M 3
  4. A 1
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afmatten in het kort

afmatten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van afmatten zijn 84 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afmatten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afmatten: uitputtend vermoeien
Deel afmatten — standaardnederlands.nl