aflaat
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ˈɑflat/Betekenis
- een kwijtschelding van tijdelijke straffen die men zou moeten ondergaan na het sterven, binnen de rooms-katholieke traditie
Hoe spreek je aflaat uit?
/ˈɑflat/
Aflaat bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| l | land |
| a | maan |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aflaatje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aflaatjes | verkleinwoord, meervoud |
| aflaten | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflaten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflaten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aflaten
Vervoeging van aflaat
aflaathele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kwijtschelding van zonden’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van aflaat
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aflaatje | verkleinwoord | aflaat |
| aflaatjes | verkleinwoord meervoud | aflaat |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aflaat zijn vastgelegd.