afkorting
zelfstandig naamwoord ˈɑfkɔrtɪŋBetekenis
- algemeen: het inkorten van een woord of een frase
- in het bijzonder: een aanduiding van een woord of een woordgroep door een beperkt aantal letters, dat als het gehele woord of woordgroep wordt uitgesproken
Hoe spreek je afkorting uit?
/ˈɑfkɔrtɪŋ/
Afkorting bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| t | tak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| afkortingen | meervoud |
| afkortinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| afkortinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van afkorten met het achtervoegsel -ing.
Woordfamilie van afkorting
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afkortingen | meervoud | afkorting |
| afkortinkje | verkleinwoord | afkorting |
| afkortinkjes | verkleinwoord meervoud | afkorting |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afkorting zijn vastgelegd.