afhangen
werkwoordBetekenis
- ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
- bepaald worden door
- deur of raam aan scharnieren ophangen
Vervoeging van afhangen
afhangenhele werkwoord — hing afverleden tijd enkelvoud — hingen afverleden tijd meervoud — afgehangenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hang af | hing af |
| jij | hangt af | hing af |
| hij, zij, het | hangt af | hing af |
| wij | hangen af | hingen af |
| jullie | hangen af | hingen af |
| zij | hangen af | hingen af |
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| af te hangen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal hangen | bijzin, toekomende tijd |
| af zou hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen hangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen hangen | bijzin, toekomende tijd |
| af zult hangen | bijzin, toekomende tijd |
| afgehangen | verleden tijd, deelwoord |
| afgehangen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehangen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| afgehangen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehangen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehangen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgehangen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehangen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| afgehangen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehangen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgehangen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afhang | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhangend | onvoltooid, deelwoord |
| afhangt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afhing | bijzin, verleden tijd |
| afhingen | bijzin, verleden tijd |
| ben afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is afgehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgehangen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgehangen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgehangen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgehangen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgehangen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgehangen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgehangen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hang af | gebiedende wijs |
| hangt af | tegenwoordige tijd |
| heb afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehangen | verleden tijd, deelwoord |
| heeft afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hing af | verleden tijd |
| is afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgehangen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgehangen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgehangen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgehangen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt afgehangen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal afgehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afhangen | toekomende tijd |
| zal afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afhangen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgehangen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afhangen af zou(dt) hangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgehangen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afgehangen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afhangen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehangen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afgehangen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afgehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgehangen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afhangen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afhangen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van af bw en hangen ww
Woordfamilie van afhangen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgehangen | voltooid deelwoord | afhangen |
| afhang | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhangen |
| afhange | with-subordinate-clause | afhangen |
| afhangt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afhangen |
| afhing | subordinate-clause, verleden tijd | afhangen |
| afhingen | subordinate-clause, verleden tijd | afhangen |
| hang af | gebiedende wijs | afhangen |
| hange af | woordvorm | afhangen |
| hangen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afhangen |
| hangt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afhangen |
| hing af | verleden tijd | afhangen |
| hingen af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afhangen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhangen zijn vastgelegd.