Naar de inhoud

afhangen

~ van: naargelang iets verandert mee veranderen

afhangen

werkwoord

Betekenis

  1. ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
  2. bepaald worden door
  3. deur of raam aan scharnieren ophangen

Vervoeging van afhangen

afhangenhele werkwoord — hing afverleden tijd enkelvoud — hingen afverleden tijd meervoud — afgehangenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hang af hing af
jij hangt af hing af
hij, zij, het hangt af hing af
wij hangen af hingen af
jullie hangen af hingen af
zij hangen af hingen af
Alle 148 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
af te hangen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal hangen bijzin, toekomende tijd
af zou hangen bijzin, voorwaardelijk
af zouden hangen bijzin, voorwaardelijk
af zoudt hangen bijzin, voorwaardelijk
af zullen hangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen hangen bijzin, toekomende tijd
af zult hangen bijzin, toekomende tijd
afgehangen verleden tijd, deelwoord
afgehangen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgehangen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
afgehangen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehangen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehangen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgehangen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgehangen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
afgehangen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgehangen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgehangen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afhang bijzin, tegenwoordige tijd
afhangend onvoltooid, deelwoord
afhangt bijzin, tegenwoordige tijd
afhing bijzin, verleden tijd
afhingen bijzin, verleden tijd
ben afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is afgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgehangen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgehangen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgehangen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgehangen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgehangen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgehangen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgehangen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hang af gebiedende wijs
hangt af tegenwoordige tijd
heb afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehangen verleden tijd, deelwoord
heeft afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hing af verleden tijd
is afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgehangen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgehangen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgehangen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgehangen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt afgehangen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt afgehangen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal afgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afhangen toekomende tijd
zal afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afhangen bijzin, toekomende tijd
zijn afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgehangen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afhangen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afhangen af zou(dt) hangen bijzin, voorwaardelijk
zouden afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afhangen bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgehangen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afgehangen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afhangen bijzin, voorwaardelijk
zullen afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgehangen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afgehangen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgehangen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afhangen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afhangen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van af bw en hangen ww

Woordfamilie van afhangen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgehangen voltooid deelwoord afhangen
afhang subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhangen
afhange with-subordinate-clause afhangen
afhangt subordinate-clause, tegenwoordige tijd afhangen
afhing subordinate-clause, verleden tijd afhangen
afhingen subordinate-clause, verleden tijd afhangen
hang af gebiedende wijs afhangen
hange af woordvorm afhangen
hangen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afhangen
hangt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afhangen
hing af verleden tijd afhangen
hingen af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afhangen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afhangen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over afhangen

Wat betekent afhangen?
Afhangen is een werkwoord. Het woord betekent: ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afhangen?
Je vervoegt afhangen als volgt: het voltooid deelwoord is afgehangen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afhangen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afhangen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. H 4
  4. A 1
  5. N 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afhangen in het kort

afhangen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afhangen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afhangen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afhangen: ~ van: naargelang iets verandert mee veranderen
Deel afhangen — standaardnederlands.nl