afglijden
werkwoordBetekenis
- door glijden van iets afdalen
- niet tot iemand doordringen; niet door iemand begrepen worden
werkwoord
- iets niet laten doordringen
Vervoeging van afglijden
afglijdenhele werkwoord — gleed afverleden tijd enkelvoud — gleden afverleden tijd meervoud — afgegledenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | glij af | gleed af |
| jij | glijdt af | gleed af |
| hij, zij, het | glijdt af | gleed af |
| wij | glijden af | gleden af |
| jullie | glijden af | gleden af |
| zij | glijden af | gleden af |
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te glijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen glijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal glijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zou glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen glijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen glijden | bijzin, toekomende tijd |
| af zult glijden | bijzin, toekomende tijd |
| afgegleden | verleden tijd, deelwoord |
| afgegleden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgegleden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| afgleden | bijzin, verleden tijd |
| afgleed | bijzin, verleden tijd |
| afglij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afglijd | bijzin, tegenwoordige tijd |
| afglijdend | onvoltooid, deelwoord |
| afglijdt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| gleed af | verleden tijd |
| glij af | gebiedende wijs |
| glijd af | gebiedende wijs |
| is afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn afgegleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen afglijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart afgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren afgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren afgegleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was afgegleden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was afgegleden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was afgegleden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal afglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn afgegleden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt afgegleden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou afglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) afglijden af zou(dt) glijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden afglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgegleden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt afglijden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen afglijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen afglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult afgegleden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult afglijden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult afglijden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal afglijden af zult/zal glijden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van af bw en glijden ww
Woordfamilie van afglijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgegleden | voltooid deelwoord | afglijden |
| afgleden | subordinate-clause, verleden tijd | afglijden |
| afgleed | subordinate-clause, verleden tijd | afglijden |
| afglij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afglijden |
| afglijd | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | afglijden |
| afglijde | with-subordinate-clause | afglijden |
| gleden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | afglijden |
| gleed af | verleden tijd | afglijden |
| glij af | gebiedende wijs | afglijden |
| glijd af | gebiedende wijs | afglijden |
| glijde af | woordvorm | afglijden |
| glijden af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | afglijden |
| glijdt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | afglijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afglijden zijn vastgelegd.