Naar de inhoud

afglijden

door glijden van iets afdalen

afglijden

werkwoord

Betekenis

  1. door glijden van iets afdalen
  2. niet tot iemand doordringen; niet door iemand begrepen worden

werkwoord

  1. iets niet laten doordringen

Vervoeging van afglijden

afglijdenhele werkwoord — gleed afverleden tijd enkelvoud — gleden afverleden tijd meervoud — afgegledenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik glij af gleed af
jij glijdt af gleed af
hij, zij, het glijdt af gleed af
wij glijden af gleden af
jullie glijden af gleden af
zij glijden af gleden af
Alle 77 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te glijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen glijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal glijden bijzin, toekomende tijd
af zou glijden bijzin, voorwaardelijk
af zouden glijden bijzin, voorwaardelijk
af zoudt glijden bijzin, voorwaardelijk
af zullen glijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen glijden bijzin, toekomende tijd
af zult glijden bijzin, toekomende tijd
afgegleden verleden tijd, deelwoord
afgegleden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgegleden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
afgleden bijzin, verleden tijd
afgleed bijzin, verleden tijd
afglij bijzin, tegenwoordige tijd
afglijd bijzin, tegenwoordige tijd
afglijdend onvoltooid, deelwoord
afglijdt bijzin, tegenwoordige tijd
ben afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
gleed af verleden tijd
glij af gebiedende wijs
glijd af gebiedende wijs
is afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn afgegleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen afglijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart afgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgegleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren afgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren afgegleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was afgegleden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was afgegleden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was afgegleden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal afglijden bijzin, toekomende tijd
zijn afgegleden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt afgegleden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou afglijden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) afglijden af zou(dt) glijden bijzin, voorwaardelijk
zouden afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden afglijden bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgegleden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt afglijden bijzin, voorwaardelijk
zullen afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen afglijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen afglijden bijzin, toekomende tijd
zult afgegleden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult afglijden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult afglijden bijzin, toekomende tijd
zult/zal afglijden af zult/zal glijden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van af bw en glijden ww

Woordfamilie van afglijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgegleden voltooid deelwoord afglijden
afgleden subordinate-clause, verleden tijd afglijden
afgleed subordinate-clause, verleden tijd afglijden
afglij subordinate-clause, tegenwoordige tijd afglijden
afglijd subordinate-clause, tegenwoordige tijd afglijden
afglijde with-subordinate-clause afglijden
gleden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon afglijden
gleed af verleden tijd afglijden
glij af gebiedende wijs afglijden
glijd af gebiedende wijs afglijden
glijde af woordvorm afglijden
glijden af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon afglijden
glijdt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon afglijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van afglijden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over afglijden

Wat betekent afglijden?
Afglijden is een werkwoord. Het woord betekent: door glijden van iets afdalen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je afglijden?
Je vervoegt afglijden als volgt: het voltooid deelwoord is afgegleden. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord afglijden is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. G 3
  4. L 3
  5. I 1
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

afglijden levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. G 3
  4. L 3
  5. I 2
  6. J 4
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

afglijden in het kort

afglijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van afglijden zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort afglijden bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

afglijden: door glijden van iets afdalen
Deel afglijden — standaardnederlands.nl