adapter
zelfstandig naamwoord aˈdɑptərBetekenis
- een apparaat om elektrische wisselspanning om te vormen naar gelijkspanning van een meestal lager voltage
- een universele plug die op verschillende types stopcontact past
- aanpassing tussen twee afwijkende aansluitingen
- bewerken, aanpassen, adapteren
- aansluiten, bevestigen.
Hoe spreek je adapter uit?
/aˈdɑptər/
Adapter bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| d | dak |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| adapters | meervoud |
| adaptertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| adaptertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘apparaat tussen stekker en stopcontact als de systemen niet passen’ voor het eerst aangetroffen in 1979
Woordfamilie van adapter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| adapters | meervoud | adapter |
| adaptertje | verkleinwoord | adapter |
| adaptertjes | verkleinwoord meervoud | adapter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van adapter zijn vastgelegd.