ablaut
zelfstandig naamwoord ˈɑblɑutBetekenis
- de op het Indo-Europees teruggaande regelmatige afwisseling van bepaalde wortelklinkers in etymologisch verwante woorden en woorddelen, die niet door de klankomgeving wordt bepaald
Hoe spreek je ablaut uit?
/ˈɑblɑut/
Ablaut bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| b | bak |
| l | land |
| ɑu | koud |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ablauten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘regelmatige, grammaticaal bepaalde klinkerwisseling’ voor het eerst aangetroffen in 1846
Woordfamilie van ablaut
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ablauten | meervoud | ablaut |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ablaut zijn vastgelegd.