aarzelen
werkwoord /ˈarzələ(n)/Betekenis
- onzeker zijn, twijfelen
Hoe spreek je aarzelen uit?
/ˈarzələn/
Aarzelen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| r | rood |
| z | zon |
| ə | de |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aarzelen
aarzelenhele werkwoord — aarzeldeverleden tijd enkelvoud — aarzeldenverleden tijd meervoud — geaarzeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | aarzel | aarzelde |
| jij | aarzelt | aarzelde |
| hij, zij, het | aarzelt | aarzelde |
| wij | aarzelen | aarzelden |
| jullie | aarzelen | aarzelden |
| zij | aarzelen | aarzelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aarzel | gebiedende wijs |
| aarzelde | verleden tijd |
| aarzele | aanvoegende wijs |
| aarzelend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| geaarzeld | verleden tijd, deelwoord |
| geaarzeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geaarzeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geaarzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geaarzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geaarzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geaarzeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geaarzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geaarzeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geaarzeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaarzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geaarzeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te aarzelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geaarzeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aarzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geaarzeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aarzelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aarzelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geaarzeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
frequentatief gevormd uit Middelnederlands eersen met het achtervoegsel -el. Het eerste deel is hetzelfde woord als aars. In de betekenis van ‘weifelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1600
Woordfamilie van aarzelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aarzel | gebiedende wijs | aarzelen |
| aarzelde | verleden tijd | aarzelen |
| aarzelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aarzelen |
| aarzele | aanvoegende wijs | aarzelen |
| aarzelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aarzelen |
| geaarzeld | voltooid deelwoord | aarzelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aarzelen zijn vastgelegd.