aanrecht
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈanrɛxtBetekenis
- vaste tafel met kastjes langs keukenwand voor zien van een waterbestendig aanrechtblad
Hoe spreek je aanrecht uit?
/ˈanrɛxt/
Aanrecht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- vaste tafel met kastjes langs keukenwand voorzien van een waterbestendig aanrechtblad
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanrechten | meervoud |
| aanrechtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanrechtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
Vervoeging van aanrecht
aanrechthele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘keukenblok’ voor het eerst aangetroffen in 1542
Woordfamilie van aanrecht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanrechtje | verkleinwoord | aanrecht |
| aanrechtjes | verkleinwoord meervoud | aanrecht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrecht zijn vastgelegd.