aanliggen
werkwoord ˈanlɪɣə(n)Betekenis
- ~ aan: op Romeinse wijze deelnemen aan een banket, gelegen op een sofa
- ~ tegen: in onmiddellijke aanraking gelegen zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je aanliggen uit?
/ˈanlɪxən/
Aanliggen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| l | land |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanliggen
aanliggenhele werkwoord — lag aanverleden tijd enkelvoud — lagen aanverleden tijd meervoud — aangelegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | lig aan | lag aan |
| jij | ligt aan | laagt aan |
| hij, zij, het | ligt aan | lag aan |
| wij | liggen aan | lagen aan |
| jullie | liggen aan | lagen aan |
| zij | liggen aan | lagen aan |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te liggen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen liggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen liggen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult liggen | bijzin, toekomende tijd |
| aangelegen | verleden tijd, deelwoord |
| aangelegen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangelegen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanlaagt | bijzin, verleden tijd |
| aanlag | bijzin, verleden tijd |
| aanlagen | bijzin, verleden tijd |
| aanlig | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanliggend | onvoltooid, deelwoord |
| aanligt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangelegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangelegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangelegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangelegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| lag aan | verleden tijd |
| lig aan | gebiedende wijs |
| te hebben aangelegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanliggen aan zou(dt) liggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangelegen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanliggen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanliggen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangelegen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanliggen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanliggen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanliggen aan zult/zal liggen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en liggen ww
Woordfamilie van aanliggen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanlag | subordinate-clause, verleden tijd | aanliggen |
| aanlagen | subordinate-clause, verleden tijd | aanliggen |
| aanlig | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanliggen |
| aanligge | with-subordinate-clause | aanliggen |
| aanligt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanliggen |
| laagt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanliggen |
| lag aan | verleden tijd | aanliggen |
| lagen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanliggen |
| lig aan | gebiedende wijs | aanliggen |
| ligge aan | woordvorm | aanliggen |
| liggen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanliggen |
| ligt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanliggen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanliggen zijn vastgelegd.