zwijnjak
zelfstandig naamwoordBetekenis
- ploert, schoft, onbetamelijk iemand
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwijnjakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwijnjakjes | verkleinwoord, meervoud |
| zwijnjakken | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Tsjechisch, in de betekenis van ‘schoelje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1872
Woordfamilie van zwijnjak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwijnjakje | verkleinwoord | zwijnjak |
| zwijnjakjes | verkleinwoord meervoud | zwijnjak |
| zwijnjakken | meervoud | zwijnjak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwijnjak zijn vastgelegd.