zweepkoker
zelfstandig naamwoordBetekenis
- koker op de bok van een rijtuig waar de koetsier zijn zweep kan neerzetten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zweepkokers | meervoud |
| zweepkokertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zweepkokertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zweep zn en koker zn
Woordfamilie van zweepkoker
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zweepkokers | meervoud | zweepkoker |
| zweepkokertje | verkleinwoord | zweepkoker |
| zweepkokertjes | verkleinwoord meervoud | zweepkoker |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zweepkoker zijn vastgelegd.