zuidelijk
bijvoeglijk naamwoord, werkwoordBetekenis
- wat betreft het zuiden, in het zuiden gelegen
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zuidelijke | verbogen, stellende trap |
| zuidelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| zuidelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| zuidelijkers | partitief, vergrotende trap |
| zuidelijks | partitief, stellende trap |
| zuidelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| zuidelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zuidelijken
- gebiedende wijs van zuidelijken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zuidelijken
Vervoeging van zuidelijk
zuidelijkhele werkwoord
Herkomst
afgeleid van zuid met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
Woordfamilie van zuidelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zuidelijker | vergrotende trap | zuidelijk |
| zuidelijkere | verbogen vergrotende trap | zuidelijk |
| zuidelijkers | partitieve vergrotende trap | zuidelijk |
| zuidelijks | partitive, positive | zuidelijk |
| zuidelijkst | uninflected, superlative | zuidelijk |
| zuidelijkste | inflected, superlative | zuidelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zuidelijk zijn vastgelegd.