zoogperiode
zelfstandig naamwoordBetekenis
- de periode waarin een jong dier door de moeder gezoogd wordt.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoogperioden | meervoud |
| zoogperiodes | meervoud |
| zoogperiodetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoogperiodetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zoog en periode
Woordfamilie van zoogperiode
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoogperioden | meervoud | zoogperiode |
| zoogperiodes | meervoud | zoogperiode |
| zoogperiodetje | verkleinwoord | zoogperiode |
| zoogperiodetjes | verkleinwoord meervoud | zoogperiode |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoogperiode zijn vastgelegd.