zoogdier
zelfstandig naamwoord ˈzoɣdirBetekenis
- een warmbloedig, gewerveld en viervoetig dier waarvan de jongen gezoogd worden, behorend tot de mammalia
Hoe spreek je zoogdier uit?
/ˈzoxdir/
Zoogdier bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| o | boot |
| x | acht |
| d | dak |
| i | riet |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- warmbloedig, behaard gewerveld dier dat zijn (meestal) levend geboren jongen met melk voedt, behorend tot de biologische klasse Mammalia
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoogdieren | meervoud |
| zoogdiertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoogdiertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘werveldier dat zijn jongen zoogt’ voor aangetroffen vanaf 1811.
Woordfamilie van zoogdier
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoogdiertje | verkleinwoord | zoogdier |
| zoogdiertjes | verkleinwoord meervoud | zoogdier |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoogdier zijn vastgelegd.