zondebok
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een te offeren dier, gewoonlijk een bokje, waarop alle zonden geworpen worden
- overdrachtelijk: iemand, al dan niet schuldig aan iets, die gebruikt wordt om de levende onvrede op af te wentelen
zelfstandig naamwoord — masculine
- iemand, al dan niet schuldig aan iets, die gebruikt wordt om de levende onvrede op af te wentelen figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zondebokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zondebokjes | verkleinwoord, meervoud |
| zondebokken | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘die van alles de schuld krijgt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1844
Woordfamilie van zondebok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zondebokje | verkleinwoord | zondebok |
| zondebokjes | verkleinwoord meervoud | zondebok |
| zondebokken | meervoud | zondebok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondebok zijn vastgelegd.