zondagsschot
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een wild schot dat gelukkigerwijze in het doel belandt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zondagsschoten | meervoud |
| zondagsschotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zondagsschotjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zondag en schot met het invoegsel -s-
Woordfamilie van zondagsschot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zondagsschoten | meervoud | zondagsschot |
| zondagsschotje | verkleinwoord | zondagsschot |
| zondagsschotjes | verkleinwoord meervoud | zondagsschot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zondagsschot zijn vastgelegd.