zijspiegel
zelfstandig naamwoord ˈzɛispiɣəlBetekenis
- een spiegel aan zijkant van een voertuig waarin de chauffeur het zijdelings achteropkomende verkeer kan waarnemen
Hoe spreek je zijspiegel uit?
/ˈzɛispixəl/
Zijspiegel bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| p | pak |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zijspiegels | meervoud |
| zijspiegeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zijspiegeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zij en spiegel
Woordfamilie van zijspiegel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zijspiegels | meervoud | zijspiegel |
| zijspiegeltje | verkleinwoord | zijspiegel |
| zijspiegeltjes | verkleinwoord meervoud | zijspiegel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zijspiegel zijn vastgelegd.