ziekendag
zelfstandig naamwoordBetekenis
- dag waarop iemand ziek is en vrij heeft genomen van zijn of haar werk
- een dag die speciaal is ingericht voor de ziekenzalving
- een dag waarop activiteiten speciaal voor zieken (en/of ouderen) worden georganiseerd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ziekendagen | meervoud |
| ziekendagje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ziekendagjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zieke en dag zn met het invoegsel -n-
Woordfamilie van ziekendag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ziekendagen | meervoud | ziekendag |
| ziekendagje | verkleinwoord | ziekendag |
| ziekendagjes | verkleinwoord meervoud | ziekendag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ziekendag zijn vastgelegd.