zakpijp
zelfstandig naamwoord ˈzɑkpɛipBetekenis
- een rietinstrument aangeblazen via een zak
- een van de diersoorten behorende tot de Ascidiacea een klasse van in zee levende chordadieren, die vanwege hun vorm genoemd zijn naar 1)
- hulpstuk aan de afvoer van kachels om een hoogteverschil tussen de uitlaatopening en de schoorsteen op te vangen
Hoe spreek je zakpijp uit?
/ˈzɑkpɛip/
Zakpijp bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɑ | bad |
| k | kat |
| p | pak |
| ɛi | trein |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor zeedieren uit de orde Ascidiacea
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zakpijpen | meervoud |
| zakpijpje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zakpijpjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
[1] van Middelnederlands sacpipe, op te vatten als samenstelling van zak zn en pijp zn
Woordfamilie van zakpijp
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zakpijpje | verkleinwoord | zakpijp |
| zakpijpjes | verkleinwoord meervoud | zakpijp |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zakpijp zijn vastgelegd.