zakenreiziger
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die voor zijn werkgever regelmatig reist
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zakenreizigers | meervoud |
| zakenreizigertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zakenreizigertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van zaak en reiziger met het invoegsel -en-
Woordfamilie van zakenreiziger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zakenreizigers | meervoud | zakenreiziger |
| zakenreizigertje | verkleinwoord | zakenreiziger |
| zakenreizigertjes | verkleinwoord meervoud | zakenreiziger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zakenreiziger zijn vastgelegd.