woningbezitter
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die een woning in eigendom heeft
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| woningbezitters | meervoud |
| woningbezittertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| woningbezittertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Samenstelling van woning en bezitter
Woordfamilie van woningbezitter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| woningbezitters | meervoud | woningbezitter |
| woningbezittertje | verkleinwoord | woningbezitter |
| woningbezittertjes | verkleinwoord meervoud | woningbezitter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van woningbezitter zijn vastgelegd.