wisent
zelfstandig naamwoord ˈwisɛntBetekenis
- Europese bizon
Hoe spreek je wisent uit?
/ˈwisɛnt/
Wisent bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| i | riet |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| n | nek |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zooɡdier, Bison bonasus, aan het eind van de 15e eeuw al zo zeldzaam geworden dat er maatregelen genomen moesten worden in de vorm van jachtrestricties; door fokprogramma's, opgezet in het begin van de 20e eeuw voor uitsterven behoed: er zijn vrijlevende populaties in Polen, Wit-Rusland, Oekraïne, Rusland, Litouwen, Slowakije, Duitsland en Roemenië, maar het blijft een kwetsbare soort
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wisenten | meervoud |
| wisentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wisentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands wesent van Oudnederlands wisent, in de betekenis van ‘herkauwer’ aangetroffen vanaf 1145; na uitsterven in de Lage Landen vermoedelijk in de 19e eeuw weer ontleend van Duits Wisent
Woordfamilie van wisent
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wisenten | meervoud | wisent |
| wisentje | verkleinwoord | wisent |
| wisentjes | verkleinwoord meervoud | wisent |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wisent zijn vastgelegd.