wintertaling
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een vogel uit de familie van Anatidae (zwanen, ganzen, grondel- en zwemeenden) met bruine kop die vooral in het winterhalfjaar talrijk voorkomt
zelfstandig naamwoord — masculine
- Anas crecca, een vogel uit de familie van Anatidae (zwanen, ganzen, grondel- en zwemeenden) met bruine kop die vooral in het winterhalfjaar talrijk voorkomt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wintertalingen | meervoud |
| wintertalinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| wintertalinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van winter zn en taling zn
Woordfamilie van wintertaling
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wintertalingen | meervoud | wintertaling |
| wintertalinkje | verkleinwoord | wintertaling |
| wintertalinkjes | verkleinwoord meervoud | wintertaling |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wintertaling zijn vastgelegd.