windbuil
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een opschepper
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| windbuilen | meervoud |
| windbuiltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| windbuiltjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘snoever’ voor het eerst aangetroffen in 1679
Woordfamilie van windbuil
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| windbuilen | meervoud | windbuil |
| windbuiltje | verkleinwoord | windbuil |
| windbuiltjes | verkleinwoord meervoud | windbuil |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van windbuil zijn vastgelegd.