wekelijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- pafferig
- wekelijks
bijvoeglijk naamwoord
- wekelijks (eenmaal per week, elke week terugkerend)
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| wekelijke | verbogen, stellende trap |
| wekelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| wekelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| wekelijkers | partitief, vergrotende trap |
| wekelijks | partitief, stellende trap |
| wekelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| wekelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
afgeleid van week met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
Woordfamilie van wekelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wekelijke | verbogen vorm | wekelijk |
| wekelijker | vergrotende trap | wekelijk |
| wekelijkere | verbogen vergrotende trap | wekelijk |
| wekelijkers | partitieve vergrotende trap | wekelijk |
| wekelijkst | uninflected, superlative | wekelijk |
| wekelijkste | inflected, superlative | wekelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wekelijk zijn vastgelegd.