wee
zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, bijvoeglijk naamwoord /ʋeː/Betekenis
- pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt.
- jammerklacht, smart, verdriet
- onaangenaam misselijk makend.
- kondigt rampspoed aan.
- wij, we; 1e persoon meervoud
Hoe spreek je wee uit?
/we/
Wee bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| e | veel |
zelfstandig naamwoord — neuter
- pijnlijke samentrekking die het barensproces inleidt
- gebeurtenis die veel schade en verdriet veroorzaakt obsolete
- diep bedroefd gevoel of hevige pijn no-plural
- ontsteking bij vee, veroorzaakt door besmetting met Theileria microti no-plural
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1] weetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| [1], [2] weetjes | verkleinwoord, meervoud |
| [1], [2] weeën | meervoud |
tussenwerpsel
- uitroep van groot verdriet
- versterkt een dreigement
bijvoeglijk naamwoord
- misselijkmakend
Herkomst
erfwoord klanknabootsing via Middelnederlands wee van Oudnederlands weuwa, in de betekenis ‘pijn’ aangetroffen vanaf 801-1000 en in de betekenis van ‘smart, tussenwerpsel ter uitdrukking van smart’ aangetroffen vanaf 1265
Woordfamilie van wee
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weeste | woordvorm | wee |
| weetje | woordvorm | wee |
| weeë | woordvorm | wee |
| weeën | meervoud | wee |
| weeër | woordvorm | wee |
| weeëre | woordvorm | wee |
| weeërs | woordvorm | wee |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wee zijn vastgelegd.