vlonder
zelfstandig naamwoordBetekenis
- los houten voetbruggetje, vaak niet meer dan een of twee planken breed of een balk
- voetplank over een sloot
- (Noord- en Zuid-Holland) (kleine) aanlegsteiger, vloer boven een water en aan de waterkant
- losse houten vloer
zelfstandig naamwoord — masculine
- aanlegsteiger, vloer boven een water en aan de waterkant
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vlonders | meervoud |
| vlondertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vlondertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘los houten bruggetje’ voor het eerst aangetroffen in 1580.
Woordfamilie van vlonder
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vlonders | meervoud | vlonder |
| vlondertje | verkleinwoord | vlonder |
| vlondertjes | verkleinwoord meervoud | vlonder |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlonder zijn vastgelegd.