visseizoen
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een seizoen waarin het toegestaan is om te vissen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| visseizoenen | meervoud |
| visseizoentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| visseizoentjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van vis ww en seizoen
Woordfamilie van visseizoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| visseizoenen | meervoud | visseizoen |
| visseizoentje | verkleinwoord | visseizoen |
| visseizoentjes | verkleinwoord meervoud | visseizoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van visseizoen zijn vastgelegd.