visplek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- plaats waar men met een hengel kan vissen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| visplekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| visplekjes | verkleinwoord, meervoud |
| visplekken | meervoud |
Herkomst
samenstelling van vis zn en plek zn
Woordfamilie van visplek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| visplekje | verkleinwoord | visplek |
| visplekjes | verkleinwoord meervoud | visplek |
| visplekken | meervoud | visplek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van visplek zijn vastgelegd.