viscositeit
zelfstandig naamwoordBetekenis
- stroperigheid ten gevolge van inwendige wrijving in een vloeistof of gas
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| viscositeiten | meervoud |
| viscositeitje | verkleinwoord, enkelvoud |
| viscositeitjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleverigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van viscositeit
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| viscositeiten | meervoud | viscositeit |
| viscositeitje | verkleinwoord | viscositeit |
| viscositeitjes | verkleinwoord meervoud | viscositeit |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van viscositeit zijn vastgelegd.